Lang, lang geleden, in een stad hier 60 kilometer vandaan, lag een meisje best vaak wakker. Ze fantaseerde van een wereld die ze kende uit haar boeken. Waarin het leven van de prinses goed afliep en de held moest vechten, maar altijd won. Ze hoopte dat, als ze hard genoeg bleef dromen, die wereld ooit de hare werd.

Het meisje groeide op. Tot een best gewone vrouw, vond ze zelf. Heel gelukkig, dat echt heus, maar het kleine meisje bleef in haar schuilen. Haar dromen achterna gaan, dat bleek lastiger dan verwacht. Maar, net als de held in haar boeken, ging ze door en bleef ze fantaseren. In stilte, dat dan wel. Tot ze op een dag voelde: het is aan het gebeuren.

Die dag was vorige week vrijdag, toen ze incheckte bij een hotel. Met in haar hand een zwarte weekendtas en over haar schouder een rode rugzak. In de tas een setje kleding, in de rugzak haar laptop en extra toetsenbord. Het belangrijkste zat verstopt, onderin de weekendtas. Een sprookjesboek. Ter inspiratie. Het harde fantaseren heeft geholpen, dacht ze steeds maar weer. Ze was op weg in haar eigen sprookje.

Na twee dagen liep ze naar buiten. Op haar laptop een boek in wording, geschreven in opdracht van. Of haar naam erop komt, dat weet ze niet. Maar dat maakt haar ook niet uit. Want ze had twee hele mooie dagen, waarin ze verhaal na verhaal op papier zette. En met spanning wacht ze de komende maanden af, welk kindje uit het boek wordt voorgelezen. Of nog beter: welk kindje ze met haar verhalen zal aanzetten te blijven fantaseren.